
Geschiedenis
De Hobo werd uitgevonden in de 17e eeuw door de Franse musici Jean Hotteterre en Michel Philidor, die deze afleidden van de schalmei (13e eeuw) voor intra-muros gebruik. Hun Hobo, 'Hautbois' genaamd (haut: hoog, luid; bois: hout), had een nauwere boring dan de schalmei. De hobo bestond uit drie delen in plaats van één. Rond de 18e eeuw bevatten bijna alle orkesten twee hobo's. Primitieve hobo's hadden zeven vingergaten en twee kleppen; rond de 18e eeuw werden ook hobo's met vier kleppen gebruikt. In de 19e eeuw breidde dat aantal kleppen nog uit tot 15 of meer. De hobo werd toen compleet hertekend. Franse Hobo's hebben een zeer nauwe boring en een doordringende, geconcentreerde klank; Duitse hobo's daarentegen hebben een wijdere boring en hebben daardoor een meer harmonieuze klank.
Bouw en kenmerken
Hobo's worden gemaakt van grenadilla, rozenhout, kokoshout of ebbenhout. Bij de hobo wordt de luchtkolom in trilling gebracht door een dubbelriet. Door het blazen op deze rietbladen, gaan die trillen. Deze trillingen worden overgebracht op de luchtkolom in het instrument. De lengte van de luchtkolom bedraagt 60 cm. De vorm van de klankbuis is conisch, de klankbeker trechtervormig. De klank van de hobo is doordringend en nasaal. De hobo heeft een toonbereik van 2½ octaaf.
Gebruik
De hobo wordt in hafabra enkel gebruikt in het harmonieorkest.